TOM-regels: aanpassen!

Recent heeft het College van Beroep voor de Examens een opvallende uitspraak gedaan over een door TN en TW gezamenlijk aangeboden module. Omdat TN de studenten, die de module niet hebben gehaald, het jaar daarna alléén de onvoldoende onderdelen over laat doen, moet TW die mogelijkheid ook aan haar studenten bieden. Complimenten aan de TW-student die met een beroep op rechtsgelijkheid en met de nodige vasthoudendheid deze uitspraak heeft geforceerd.

Paniek natuurlijk onder de beleidsmakers in de Spiegel en het onderwijs management van TW en van enige andere studierichtingen. Maar, niet alleen de uitspraak in deze zaak is interessant, ook de overwegingen die het College ter onderbouwing en aanvulling gaf, zijn zeer behartigenswaardig.

Zo wordt bevestigd dat TN en allerlei andere opleidingen, die de studeerbaarheid van het aangeboden programma willen verhogen door module-onderdelen afzonderlijk te laten herkansen (of mee te rekenen in het BSA), de bindende richtlijn-Centraal OER (Onderwijs en Examen Reglement) niet naast zich neer mogen leggen. Daarin staat namelijk dat in de bachelor onderwijseenheden uitsluitend bestaan uit modules van 15 EC en dat de norm voor het behalen van het BSA 45 EC is, dus minstens 3 van die ‘onderwijseenheden’. Veel opleidingen wijken daar inmiddels vanaf, de meesten zonder dit te vermelden in het daarvoor bedoelde reglement: het OER.

Gelukkig besteedt het college van beroep ook aandacht aan de geldigheidsduur van cijfers voor module-onderdelen: waarom zou daarvoor niet dezelfde geldigheidsduur als voor ‘hele’ tentamens gelden? En in de politiek wil men nu wettelijk vastleggen dat de geldigheidsduur alleen beperkt kan worden door de veroudering van de getoetste kennis.

De conclusie die ik uit deze bespiegelingen trek, is dat de regelgeving rondom TOM en de daarvan afwijkende informele uitvoering op juridisch drijfzand zijn gebaseerd en, erger nog, een bron van frustratie zijn voor veel studenten en docenten. Verandering is dus noodzakelijk, vooral in het beleid, maar ook in regelgeving.

Om een voorbeeld van dat laatste te noemen: studenten met een functiebeperking moeten volgens de wet aangepaste programma’s worden geboden, maar, waar eerder vakken van 5 EC of minder beschikbaar waren om een studeerbaar programma samen te stellen, zijn de nu beschikbare bouwstenen 15 EC. Module-onderdelen staan slecht beschreven, de EC-omvang is niet (formeel) vastgelegd en er is geen valide cijferregistratie voor.

Wat voor deze studenten geldt, geldt ook voor studenten die nog oude programma’s moeten afronden, voor exchange-studenten en alle andere studenten die wegens sport, activisme, onderneming, ziekte e.d. delen van modules willen volgen en afronden. Het CvB wil onderdelen wel aanbieden aan studenten met beperkingen en exchange studenten, maar niet aan de ‘eigen’ studenten. Dat riekt naar rechtsongelijkheid.

Er is dus werk aan de winkel voor studenten en medewerkers die via de URaad de gewenste veranderingen tot stand willen brengen: onderwijsprogramma’s moeten weer flexibel en studeerbaar zijn. En niet het model maar de eindtermen moeten leidend zijn, De centrale regelgeving moet echt tot het hoognodige worden beperkt, zodat studenten hun eigen keuzes kunnen maken. En opleidingen aantrekkelijke programma’s kunnen bieden.

Dick Meijer
Partij van de UT

Lees het volledige artikel ook op het UTNieuws >>